Logo Universiteit Utrecht

Babylab Utrecht

Eerste taalverwerving

De grote vraag die onderzoekers van het Babylab bezighoudt is de vraag hóe kinderen taal leren. In de meeste gevallen gaat taal leren zo vanzelfsprekend dat men bijna vergeet hoe bijzonder het eigenlijk is en vooral ook hoe complex. Er komt namelijk heel wat kijken bij “taal” leren.

Het taallerend kind moet uiteraard een woordenschat opbouwen. Dat houdt in de betekenis van woorden opslaan en weten hoe ze moeten worden uitgesproken. Naast het opbouwen van een woordenschat moeten ze ook de woorden weten te combineren tot (korte) zinnen. En om zich heel precies te kunnen uitdrukken moeten ze ook leren woorden te vervoegen. Denk bijvoorbeeld aan een kind dat eerst zegt: ‘lopen’, dan ‘ik lopen’, dan op een weer latere leeftijd ‘ik loopte’ en in een nog latere fase ‘ik liep’ of ‘ik heb gister gelopen’. Taal leren omvat o.a. ook kennis over de klanken, het juist gebruiken van intonatie en klemtoon, het toepassen van taalgedragsregels (zoals niet door elkaar heen praten) en goed leren articuleren. Kortom, bij het leren van taal komt heel wat kijken!

Ondanks de enorme complexiteit van taal pikken kinderen de taal die ze om zich heen horen ogenschijnlijk zonder moeite op. Dit gebeurt vrijwel zonder expliciete instructie. Even bewonderingswaardig is het dat ieder kind dat ter wereld komt de potentie heeft om een taal te leren, ongeacht IQ. Dit maakt eerste taalverwerving een bijzonder geliefd onderwerp binnen wetenschappelijk taalonderzoek.

Kinderen leren door te luisteren en daarom onderzoeken wij vooral de taalperceptie: hoe nemen kinderen de taal waar en welke eigenschappen van taal gebruiken zij om de taal te leren. Vragen die onderzoekers stellen zijn bijvoorbeeld: hoe leren kinderen de klanken van hun moedertaal? En hoe weten ze eigenlijk waar een woord begint en waar het eindigt? Hoe leren kinderen de grammaticale regels van hun moedertaal? En waarom praten ouders vaak op een ander manier tegen (heel) jonge kinderen?