Logo Universiteit Utrecht

Babylab Utrecht

Dyslexie

Dyslexie is een (grotendeels) erfelijke neurocognitieve aandoening die veelal gekarakteriseerd wordt door problemen binnen het lezen, schrijven en spellen. Een belangrijke voorwaarde voor de diagnose is dat deze problemen niet verklaard kunnen worden door factoren als een verminderd IQ, verminderd zicht, socio-economische factoren, of andere voor de hand liggende oorzaken zoals neurologische stoornissen of hersenletsel. Naast de algemeen bekende taalproblemen kunnen zich ook problemen voordoen binnen andere cognitieve processen, zoals het geheugen, de verwerkingssnelheid, coördinatie en woordvloeiendheid. Zo kunnen mensen met dyslexie moeite hebben met het snel opnoemen van de dagen van de week, of met kleuren benoemen. Vaak zijn er grote verschillen in schoolprestaties tussen talige en niet-talige vakken, waardoor dyslexie normaliter pas herkend wordt op het moment dat kinderen leren lezen en schrijven. Desalniettemin zijn er vaak ook vóór de schooltijd al symptomen zichtbaar. In het Babylab wordt o.a. onderzoek gedaan naar deze vroege voorspellers van dyslexie, en naar de verschillen in diverse aspecten van de taalontwikkeling tussen kinderen met een familiair risico op dyslexie en kinderen zonder dit risico.

Recent onderzoek benadrukt steeds vaker de erfelijke component van dyslexie. Dyslexie is een aangeboren afwijking, en onderzoek heeft inmiddels verschillende genen aan kunnen wijzen die in verband lijken te staan met de ontwikkeling van dyslexie. Dyslexie lijkt voor een zeer groot deel genetisch bepaald te zijn, wat ook blijkt uit tweelingenstudies en andere erfelijkheidsonderzoeken. Wanneer één of beide ouders dyslexie heeft, is de kans aanzienlijk (30-80%) dat het kind ook dyslexie ontwikkelt. Aan de andere kant komt dyslexie onder kinderen zonder dyslectische familieleden zeer weinig voor, wat aanduidt dat genetica één van de grootste oorzaken is van de aandoening.

Om deze redenen wordt in het Babylab bij de onderzoeken naar dyslexie vaak een onderscheid gemaakt tussen kinderen waarvan minimaal één ouder dyslexie heeft, en kinderen zonder dyslectische ouders. Door kinderen met een familiair risico op dyslexie al van jongs af aan te volgen, kunnen wij erachter komen hoe dyslexie al op zeer jonge leeftijd opgespoord kan worden en welke specifieke problemen ten grondslag liggen aan de latere lees- en schrijfproblemen.

 

de Bree, E.H., Kerkhoff, A.O., de Klerk, M.K.A., Capel, D.J.H. & Wijnen, F.N.K. (20-05-2015). Early Speech Perception in Infants with a Familial Risk of Dyslexia.

Kerkhoff, A.O., De Bree, E.H., De Klerk, M.K.A., & Wijnen, F.N.K. (2013). Non-adjacent dependency learning in infants at familial risk of dyslexia. Journal of child language, 40(01), 11-28.

Kerkhoff, A.O., de Bree, E.H. & Wijnen, F.N.K. (21-06-2013). Distributional learning in infants at familial risk of dyslexia.