Logo Universiteit Utrecht

Babylab Utrecht

Dyslexie

Dyslexie wordt gekenmerkt door (ernstige) lees- en/of schrijfproblemen. Een belangrijke voorwaarde voor de diagnose ‘dyslexie’ is dat de lees- en/of schrijfproblemen niet verklaard kunnen worden door factoren als een verminderd IQ, verminderde werking van sensoren zoals de oren en de ogen, door socio-economische factoren, of andere voor de hand liggende oorzaken zoals neurologische stoornissen of hersenletsel.

Wanneer één of beide ouders dyslexie heeft, is de kans aanzienlijk groter (30-60%) dat het kind ook dyslexie ontwikkelt. Aan de andere kant komt dyslexie onder kinderen zonder dyslectische familieleden veel minder vaak voor, slechts 5% van de kinderen zonder een dyslectische ouder ontwikkelt dyslexie. Kinderen waarvan één of beide ouders dyslexie heeft hebben dus een verhoogd familiair risico op dyslexie. Dit feit maakt het mogelijk op zoek te gaan naar factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van dyslexie, dus die factoren die een verhoogd risico op ontwikkeling van dyslexie met zich meebrengen.

Kinderen en volwassenen met dyslexie blijken niet alleen lees- en/of schrijfproblemen te hebben maar blijken ook slechter te scoren op taken waar het zogeheten fonologisch bewustzijn wordt gemeten. Dit zijn taken waarbij men wordt gevraagd te spelen met de klanken van een woord (hak-en-plak taken: ‘k-a-t’ wordt…? ‘Kat’. En andersom), maar ook bijvoorbeeld waarbij wordt gevraagd van twee opeenvolgende woorden de eerste klanken te verwisselen (‘hoog dak’ moet worden…? ‘doog hak’). Daarnaast hebben ze moeite met het nazeggen van niet-bestaande woorden die wel zouden kunnen voorkomen in de moedertaal en bij taken waar het snel automatisch benoemen wordt gemeten.

Ook bij kinderen met een risico op dyslexie, dus kinderen die nog niet gediagnosticeerd zijn met dyslexie maar waar wel één of beide ouders dyslexie heeft, blijken moeite te hebben met bovengenoemde taken. Daarnaast heeft onderzoek uitgewezen dat kinderen met een risico op dyslexie een kleinere woordenschat hebben en dat ze het soms minder goed doen op taken waar de grammaticakennis of de spraakperceptie wordt gemeten. Dyslexie lijkt dus méér dan alleen een lees- en/of schrijfprobleem.

In het Babylab Utrecht doen we onderzoek naar de mogelijke risicofactoren. Zo kijken wij bijvoorbeeld naar de vroege spraakperceptie van baby’s met een verhoogd familiair risico op dyslexie. Verloopt de ontwikkeling van de moedertaalklanken anders dan bij kinderen zonder dit risico? En kunnen we een verband vinden tussen de ontwikkeling van vroege spraakperceptie en latere taalontwikkeling, gemeten in woordenschat en het vervoegen van werkwoorden en zelfstandig naamwoorden? Ook kijken we naar onderliggende processen die het leren van bijvoorbeeld de moedertaalklanken mogelijk maakt. Ook daarbij vergelijken we weer kinderen met en zonder dit verhoogde risico op dyslexie.

Wilt u uw kind opgeven om mee te doen met onderzoek naar de risicofactoren van dyslexie? U kunt uw kind opgeven wanneer één (of beide) van de biologische ouders dyslexie heeft, maar ook wanneer beide ouders dat niet hebben. Aanmelden kan via het online inschrijfformulier!

de Klerk, M., de Bree, E., Kerkhoff, A. & Wijnen, F. (in preparation). Early Speech Perception in Infants with a Familial Risk of Dyslexia.

Kerkhoff, A.O., De Bree, E.H., De Klerk, M.K.A., & Wijnen, F.N.K. (2013). Non-adjacent dependency learning in infants at familial risk of dyslexia. Journal of child language, 40(01), 11-28.

de Klerk, M., de Bree, E., Kerkhoff, A. & Wijnen, F. (in preparation). Distributional learning in infants at familial risk of dyslexia.